• Lees de vraag goed! Kleine woordjes kunnen een groot verschil maken in het beantwoorden van de vraag. Let vooral op negaties (dubbele of niet) en woorden als en, of, maar, behalve, soms enz.
  • Beantwoord de vraag zonder naar de antwoordmogelijkheden te kijken
  • Kijk vervolgens of één van de antwoordmogelijkheden met jouw antwoord overeenkomt.
  • In het geval dat dit niet zo zou zijn dan kan je de twee antwoorden die het dichtstbij liggen tegen elkaar afwegen. GOK NOOIT als je nog 4 mogelijkheden hebt. Nadat je er twee hebt afgestreept kan je al eens gokken.
  • Soms worden foute antwoorden gebruikt die ‘deelantwoorden’ zijn. Bij een complexe berekening of meerdere berekeningen achtereen kan je de antwoorden dus allemaal tegenkomen. Weet er dus zeker van dat je de volledige berekening hebt uitgevoerd.

Meestal zijn meerkeuzevragen zo opgesteld dat er 2 duidelijke afvallers zijn en 2 antwoorden min of meer logisch zijn waarbij de gedetailleerdheid van je kennis en je inzicht je moeten doen inzien welke van de antwoorden correct is. Wanneer iemand twijfelt tussen 3 antwoorden bij meerkeuzevragen dan schort er vaak iets aan zijn kennis en inzicht.