|
|
|
Vragen & antwoorden
Toelatingsexamen?
- Waar is de algemene informatie omtrent het toelatingsexamen te vinden?
- Hoe ziet het toelatingsexamen eruit?
Zie het examenreglement
Het toelatingsexamen bestaat uit twee gedeelten: “Kennis en Inzicht in de Wetenschappen” (KIW) en “Informatie Verwerven en Verwerken” (IVV).
Beide gedeelten hebben hetzelfde gewicht: voor beide is het maximumaantal punten vastgesteld op 20.
KIW bestaat uit 40 vragen:
- 10 vragen biologie,
- 10 vragen fysica (natuurkunde),
- 10 vragen scheikunde
- 10 vragen wiskunde.
Elke vraag heeft hetzelfde gewicht. Dat betekent dat er geen afzonderlijke slaagvoorwaarden opgelegd zijn voor elke wetenschap.
IVV bestaat uit een "casus".
- Het onderdeel "casus" bestaat uit twee delen.
- De stilleestekstproef bevat 30 vragen en heeft 7 als maximum aantal punten.
- Het gesprek arts/tandarts-patiënt telt 30 vragen en heeft 6 als maximum aantal punten.
Binnen elk onderdeel of deel van een onderdeel wegen alle vragen even zwaar.
Het is zeer raadzaam de vragen van vorige jaren te bekijken, het is zo dat elk jaar vragen van hetzelfde type terugkomen.
- Wiskunde: is er bv bijna altijd een differentiaal te vinden,
- Biologie: Bijna zeker een vraag omtrent de mitose/meiose,
- Fysica: bijna zeker een vraag omtrent versnelling
- etc.
- Wanneer ben ik geslaagd voor toelatingsexamen?
Zie het examenreglement
Je moet voor elk onderdeel (KIW en IVV) minimum 10/20 halen. Je moet in het totaal 22/40 halen.
Het doel van het examen is te bepalen hoeveel mensen aan de studie geneeskunde mogen beginnen. Dit betekent dat er geselecteerd wordt op punten (22/40), omdat men nu eenmaal de beste studenten wil voor de studie, maar dit betekent ook dat er geselecteerd wordt op het aantal dat slaagt.
Als er te weinig mensen slagen (wat veel voorkomt omdat de lat hoog ligt) dan kan er wel eens gedelibereerd worden. Dit kan zeer oneerlijk lijken, maar je kan dit het best vergelijken met een sollicitatieprocedure. Bij sollicitaties leg je testen (meestal ook kennis én vaardigheidstesten) af waardoor de beste kandidaten eruit worden geselecteerd. Zijn er echter te weinig kandidaten die overblijven dan kan men extra kandidaten ‘meeselecteren’ omdat degene die het best scoort niet noodzakelijk de beste kandidaat is (andere goede kandidaten hebben misschien een slechte dag).
De redenering van de sollicitatieprocedure en het toelatingsexamen gaan dus beide uit van het idee dat mensen die goed zijn maar slecht scoren nog steeds heel hoog scoren maar juist de grens niet halen. Met andere woorden, een slechte dag kan geen excuus vormen, als je goed bent, haal je het.
- Krijg je al deze vragen in één keer?
Het is zo dat je in de voormiddag de vragen krijgt voor het KIW gedeelte. In de namiddag krijg je de vragen van het IVV gedeelte.
- In welke volgorde los je je ze het best op om een goede kans te maken op slagen?
De volgorde kan je zelf bepalen (binnen de voormiddag of de namiddag).
- Sommige mensen doen het liefst eerst de vragen waarvan ze het minst kennen, zodat ze daar vanaf zijn.
- Anderen doen eerst de vragen die ze het best kennen, zodat ze toch al “goed begonnen, half gewonnen” zijn.
- Misschien is de beste oplossing het afwisselen van de vragen. Eerst een gedeelte dat je (niet) goed kent, dan een dat (beter) slechter zou moeten gaan en dan weer een dat (slechter) beter zou moeten gaan enz.
- Je kan uiteraard ook alle vragen van het KIW gedeelte door elkaar oplossen, maar meestal helpt het wel om je gedachten bij 1 kennisgedeelte te houden.
- Hoe moeilijk is de giscorrectie?
Als je in het middelbaar nooit een examen met giscorrectie hebt gehad (waarop de kans wel groot is), dan kan dit inderdaad afschrikwekkend zijn.
Het is echter zo dat deze giscorrectie gebruikt wordt omdat er anders kans bestaat dat je teveel gaat gokken en er op goed geluk doorgeraakt.
- Alle vragen zijn meerkeuzevragen.
- In alle onderdelen (wetenschappen en casus) telt elke vraag 4 antwoordalternatieven.
- Indien een meerkeuzevraag vier antwoordalternatieven heeft, dan is één ervan het juiste antwoord en de andere drie zijn fout (men noemt ze doorgaans afleiders). Het is dus zo dat er altijd slechts 1 JUIST ANTWOORD is.
- Het juiste antwoord levert 1 punt op, geen antwoord levert 0 punten op. Een fout antwoord levert bij vier antwoordalternatieven -1/3 punt op (-1 gedeeld door ‘het aantal antwoordalternatieven -1’). Bij vijf antwoordalternatieven levert een fout antwoord -1/4 punt op.
- Voorbeeld: een kandidaat geeft op de vragen van de stilleestekst 19 juiste antwoorden, 7 foute en laat 4 vragen open.
Zijn score bedraagt dan 19x1+7x(-0,33)+4x0=16,69. Op een totaal van 7 punten behaalt die kandidaat dus (16,69/30)x7= 3,89.
Let op: het aftrekken van 0,33 punt geldt als een sanctie op het gissen. Mocht deze sanctie niet bestaan dan zou de score 19 geweest zijn en het resultaat 4,43. (19/30)*7= 4,43. Dit delen door 30 gebeurt omdat er 30 vragen zijn.
Denk dus goed na vooraleer je beslist al dan niet te gokken.
- Hoe moet je juist te werk gaan om dit soort examens op te lossen?
- Lees de vraag goed! Kleine woordjes kunnen een groot verschil maken in het beantwoorden van de vraag. Let vooral op negaties (dubbele of niet) en woorden als en, of, maar, behalve, soms enz.
- Beantwoord de vraag zonder naar de antwoordmogelijkheden te kijken
- Kijk vervolgens of één van de antwoordmogelijkheden met jouw antwoord overeenkomt.
- In het geval dat dit niet zo zou zijn dan kan je de twee antwoorden die het dichtstbij liggen tegen elkaar afwegen. GOK NOOIT als je nog 4 mogelijkheden hebt. Nadat je er twee hebt afgestreept kan je al eens gokken.
- Soms worden foute antwoorden gebruikt die ‘deelantwoorden’ zijn. Bij een complexe berekening of meerdere berekeningen achtereen kan je de antwoorden dus allemaal tegenkomen. Weet er dus zeker van dat je de volledige berekening hebt uitgevoerd.
Meestal zijn meerkeuzevragen zo opgesteld dat er 2 duidelijke afvallers zijn en 2 antwoorden min of meer logisch zijn waarbij de gedetailleerdheid van je kennis en je inzicht je moeten doen inzien welke van de antwoorden correct is. Wanneer iemand twijfelt tussen 3 antwoorden bij meerkeuzevragen dan schort er vaak iets aan zijn kennis en inzicht.
- Kan je dan niet rekenen op een portie geluk bij het gokken?
Geluk speelt een rol wanneer je de stof niet goed genoeg beheerst, dan kan je met een voor jou gunstige selectie van de 40 meerkeuzevragen voor het ochtendonderdeel een hogere score halen dan met een voor jou ongunstige selectie van de vragen. Wanneer je de stof wel ruim voldoende beheerst dan doet geluk er weinig toe. Aangezien je de vragen niet kan controleren en je eigen kennis wel, is het dus van belang om de graad van geluk door toeval zo klein mogelijk te maken.
- Waarom moeten we onze antwoorden op een computerblad invullen en hoe moet dat?
Het is een hele grote groep mensen die aan het examen deelneemt. De snelste manier om een groot aantal examens te verbeteren is deze door de computer te laten inlezen. Dit betekent dat je je antwoorden op een speciaal blad moet aanduiden. Op de officiële website van het toelatingsexamen vind je een filmpje terug van hoe je het examen precies moet invullen.
Bolletjes kleuren voor gevorderden: Bekijk hier het filmpje i.v.m. het correct invullen van het antwoordblad
- Kan er dan nooit iets foutlopen met het computersysteem?
Dit systeem is al meermaals getest door de jaren heen en er zijn nog nooit problemen geweest. In het geval van een groot computerwantrouwen, of als je echt zeker bent dat je score hoger moet zijn dan ze is, kan je altijd vragen om je examen in te kijken.
Hiervoor kan je terecht op het examenreglement
- Moet je het gehele Periodiek Systeem vanbuiten leren?
Indien nodig vinden de kandidaten voor fysica een blad met formules en constanten en voor scheikunde een informatietabel in hun examenboekje. Dus je hoeft de tabel zeker niet vanbuiten te leren. Alle vragen van het toelatingsexamen worden ook zodanig opgevat dat het vinden van het juiste antwoord mogelijk is zonder het gebruik van rekentoestellen. Het is dan ook verboden een rekentoestel, onder welke vorm ook, bij zich te hebben.
- Waarom wordt er zoveel wiskunde gevraagd op het examen?
Wiskunde en de drie wetenschappen (fysica, biologie en chemie) die op het examen worden ondervraagd, komen in hun zuivere vorm, na het eerste jaar, niet veel meer voor in de studie geneeskunde zelf. Ze vormen echter alle vier een basis voor de rest van je studie.
Het is belangrijk om bepaalde rekentechnieken en denkwijzen te herkennen en te kunnen gebruiken die je bijvoorbeeld in de studie van talen of teksten niet hoeft te gebruiken. Het gaat dus op het examen zelf om de specifieke oefeningen, maar in principe gaat het binnen de opleiding enkel om de denkmanieren die erachter zitten.
- Wat moet juist gestudeerd worden voor biologie,fysica,wiskunde en chemie?
De leerstofafbakening is hoofdzakelijk gestoeld op de eindtermen en leerplannen van de derde graad ASO, maar uiteraard is aangenomen dat de kandidaten nog steeds meester zijn over wat ze in de tweede graad aanleerden, zeker wanneer die leerinhouden mee aan de basis liggen van wat ze in de derde graad verder hebben opgebouwd.
Vermits het toelatingsexamen niet alleen de kennis peilt maar ook het inzicht, kunnen sommige vragen starten met het geven van informatie op grond waarvan de kandidaat, al redenerend en/of eenvoudig rekenend, het antwoord op de vraag kan vinden.
In de brochure voor het toelatingsexamen zijn de specifieke vereisten per onderdeel te vinden: Toelatingsexamen brochure 2010
- Zijn er andere tips voor het toelatingsexamen geneeskunde?
Je kan onze tips hier raadplegen
- Hoelang op voorhand moet ik beginnen voorbereiden?
Het wordt aangeraden om al in het vijfde middelbaar deel te nemen aan het toelatingsexamen, maar je resultaten zullen in ieder geval niet geldig zijn. Als regel geldt namelijk dat je op het einde van het jaar waarin je geslaagd bent voor het toelatingsexamen, ook in het bezit moet zijn van een diploma secundair onderwijs (of daarmee gelijkwaardig indien je je diploma in het buitenland behaald hebt), zoniet heb je een ongeldig toelatingsexamen afgelegd.
Deelnemen zorgt er wel voor dat je op deze manier de sfeer opsnuift, te weten komt waar je je aan mag verwachten, en een beeld krijgt van de vragen. Het is tevens nuttig om gedurende het academiejaar deel te nemen aan olympiades (wiskunde, chemie,…) om je niveau op te krikken en om een beeld te krijgen van de verwachtingen en voorbeeldvragen. En natuurlijk vormt een goede inzet voor alle wetenschappen tijdens je studies de beste basis.
- I´m a foreign student and my knowledge of Dutch is quite low. Can I pass the exam?
It´s always possible to try to pass the exam without any knowledge of Dutch. It is possible that, if the degree of sciences and math of secondary schools in your country is comparable with that of the schools in Flanders, that you pass that part with a minimum knowledge of Dutch.
It is important to know that countries like Germany and The Netherlands do not have the same educational system as Belgium, this means that you really have to be sure that you have learned everything that will be asked. (you can look up the subjects in the info brochure that is distributed through the website or your university)
For the IVV part it is nearly impossible to pass because these are questions that are based on a good knowledge of Dutch. It is always possible to follow a course to upgrade your Dutch.
At the VUB, there are courses for different groups that prepare you for the entrance exam. There is also a reading test (resembling the leestekst of the exam) imbedded in the course of Wetenschappelijk Denken en Informatica, in the first semester of the Biomedical Sciences.
Aside from that, you can always ask help for extra language courses at the VUB (Centrum voor Studie en Begeleiding, Studietrajectbegeleidster, IRMO) and through the ‘Huis van het Nederlands’.
|
|